PlanGarant

Zonnepanelen in de MPG

Hoeveel tel je er eigenlijk mee?

De energietransitie en de -prestatie-eisen hebben ervoor gezorgd dat zonnepanelen inmiddels een vast onderdeel zijn van vrijwel ieder nieuw gebouw. Tegelijkertijd groeit de aandacht voor de milieubelasting van materialen en installaties. In Nederland wordt die milieubelasting bij nieuwbouw onder meer gestuurd via de Milieuprestatie Gebouwen (MPG).

Op het eerste gezicht lijkt het vanzelfsprekend dat alle zonnepanelen die je op een gebouw plaatst, ook onderdeel zijn van de MPG-berekening. Toch blijkt de werkelijkheid genuanceerder. Wie de toelichting bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) goed leest, ziet dat er ruimte is voor een andere interpretatie. Dat roept vragen op over de verhouding tussen energieprestatie, milieuprestatie en de feitelijk gerealiseerde situatie van een gebouw.

De bedoeling van de MPG

De MPG is bedoeld om de milieubelasting van materialen in gebouwen te beperken. De berekening gebeurt volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken en maakt gebruik van milieudata uit de Nationale Milieu Database (NMD).

De gedachte achter de MPG is dat ontwerpers en opdrachtgevers bewuste keuzes maken in materiaalgebruik. Door inzicht te krijgen in de milieubelasting van materialen kunnen zij sturen op oplossingen met een lagere impact op het milieu.

Hoewel MPG, net als BENG, bedoeld zijn als toetsinginstrument, is het in belangrijke mate een ontwerp-instrument geworden. Het stimuleert dat ontwerpers al in een vroeg stadium van het ontwerp nadenken over duurzamere materiaalkeuzes.

Wat zegt het Bbl over de berekening?

In de integrale nota van toelichting bij artikel 4.159 van het Bbl staat een zin die in de praktijk relevant kan zijn voor de manier waarop je installaties meeneemt in de MPG:

“Bij de bepaling van de milieuprestatie hoeven alleen die constructieonderdelen en installaties te worden meegenomen die nodig zijn om te voldoen aan de overige regels van dit besluit.”

Deze passage lijkt op het eerste gezicht technisch van aard, maar heeft een belangrijke consequentie. De formulering suggereert namelijk dat de MPG-berekening zich richt op het minimale pakket aan constructieonderdelen en installaties dat nodig is om aan de regelgeving (het Bbl) te voldoen.

Met andere woorden: niet iedere installatie die je uiteindelijk in een gebouw toepast, hoeft automatisch onderdeel te zijn van de MPG-berekening.

Het voorbeeld van zonnepanelen

Dit wordt duidelijk wanneer we kijken naar zonnepanelen.

Je plaatst zonnepanelen vaak om te voldoen aan de eisen voor BENG (Bijna Energie Neutrale Gebouwen). De elektriciteit die de panelen opwekken draagt bij aan het beperken van het primaire fossiele energiegebruik.

Stel dat je een woning ontwerpt met tien zonnepanelen op het dak. Uit de energieprestatieberekening blijkt echter dat drie panelen al voldoende zijn om aan de BENG-eisen te voldoen.

Als je de passage uit de toelichting strikt volgt, kun je redeneren dat voor de MPG-berekening alleen die drie panelen nodig zijn om aan de regelgeving te voldoen. De overige zeven panelen zijn immers niet noodzakelijk voor het behalen van de wettelijke energie-eisen.

De berekening zou er dan als volgt uit kunnen zien:

  • 10 zonnepanelen geplaatst op het gebouw (en opgenomen in de BENG-berekening)
  • 3 zonnepanelen opgenomen in de MPG-berekening (voldoende voor het behalen van de BENG-eisen)

Je neemt de milieubelasting van de overige zeven panelen dan niet mee in de berekende milieuprestatie.

Energieprestatie en milieuprestatie

Deze situatie laat zien dat energieprestatie en milieuprestatie niet altijd dezelfde kant op bewegen.

Zonnepanelen verbeteren de energieprestatie van een gebouw. Tegelijkertijd hebben ze ook een milieubelasting, bijvoorbeeld door het materiaalgebruik en de productie van de panelen.

Meer zonnepanelen betekent dus:

  • een betere energieprestatie
  • maar ook een hogere milieubelasting

Wanneer je alleen het minimaal benodigde aantal panelen meeneemt in de MPG, ontstaat een situatie waarin de milieuprestatie van het gebouw gunstiger lijkt dan wanneer je alle daadwerkelijk geplaatste panelen zou meerekenen.

De rol van de Wet kwaliteitsborging

Sinds de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) speelt nog een andere vraag.

De kwaliteitsborger beoordeelt immers of het gerealiseerde bouwwerk voldoet aan de regels van het Bbl. Daarbij staat de feitelijke uitvoering centraal: het gebouw zoals het daadwerkelijk is gebouwd.

Dat roept een interessante vraag op. Als je een woning uiteindelijk realiseert met tien zonnepanelen, maar je berekent de milieuprestatie met drie panelen, hoe verhouden de berekening en de gerealiseerde situatie zich dan tot elkaar?

De MPG-systematiek kijkt in essentie naar het normatieve ontwerp dat nodig is om aan de regelgeving te voldoen, terwijl de kwaliteitsborging zich juist richt op het gerealiseerde bouwwerk.

Een vraag voor de sector

De discussie over zonnepanelen in de MPG raakt aan een bredere ontwikkeling in de bouwsector. De aandacht voor duurzaamheid verschuift steeds meer van afzonderlijke prestatie-eisen naar een integrale benadering van energiegebruik, materiaalgebruik en circulariteit.

In dat licht is het interessant om te reflecteren op de vraag wat de MPG precies wil weergeven: het minimale gebouw dat aan de regelgeving voldoet, of de milieubelasting van het gebouw zoals het daadwerkelijk wordt gerealiseerd.

Zonnepanelen maken dat spanningsveld zichtbaar.

Als een woning uiteindelijk tien zonnepanelen krijgt, maar je berekent de milieuprestatie met drie, dan rijst de vraag of de MPG nog een volledig beeld geeft van de milieubelasting van het gebouw.

Het is een vraag die niet alleen juridisch of rekenkundig is, maar vooral ook beleidsmatig: wat willen we dat de MPG laat zien? En in het verlengde daarvan: hoe gaan we hiermee straks om bij de bepalen van WLC-GWP?